Klein meisje

Er staat een klein meisje in mijn gang. Ondanks dat ik niemand heb binnengelaten.

Ze draagt een vrolijke jurk, frisgroen met stippen. Onder haar arm een pop geklemd.
Haar vlassige haar zit in twee staarten. Ze heeft een smal lijf met spillebenen die zachtjes heen en weer bewegen.

Ik ken haar niet.
Al komt ze me vaag bekend voor?

Waarom staat ze hier, in mijn smalle gang met turkooizen muren en te veel jassen voor één persoon?

Dan zeg ik hardop: ‘hoi, hoe heet jij?’
Ze geeft geen antwoord en staart me aan.

Misschien moet ik het anders aanpakken?

Ik draai me om en loop de keuken in.
Er hangt een geur van koffie. Ik laat altijd met opzet de koffiepot openstaan.
De geur herinnert mij aan het huis van oma.
Al ontbreekt hier de geur van boenwas.

In de vrieslade liggen perenijsjes.
Ik pak er twee, draai me om en loop terug naar de gang.

Het meisje is verdwenen?
Ik heb de deur niet horen dichtgaan.

Even weet ik het niet.
De ijsjes smelten in mijn handen.
Mijn gedachten zoeken naar een verklaring.
Of leg ik me neer dat ik niet weet wat er net gebeurd is?
Dat er op een doordeweekse, zonnige ochtend, een meisje mijn hart heeft verrijkt.
En eet beiden ijsjes op.