Klaagzang van de kakkerlak
Ik ben een snelle coureur. Max Verstappen is er niets bij.
Vijfendertig km per uur? Dat halen mijn pootjes met gemak.
Temperamentvol trippelend over vloeren en muren.’
‘Op mijn curriculum vitae staan competenties als: zelfstandig, stille werker, hoge arbeidsethos en geschikt als nachtwerker. Ik werk zelfs door in klamme nachten, als de luie Spaanse toerist nog rondhangt bij het zwembad of verdwijnt naar de kroeg, genietend van koud blond bier en ander blond dat volgt naar de hotelkamer.’
‘Ik heb een gevoelige reuksensor die altijd wel iets ontdekt: een verse aardappelschil, een vissengraat of een kruimel kaas. Zeg het maar.’
Vandaag heb ik op dit uur geen geluk. De eigenaar van deze voorraadkast is van het schone soort. Hoe ik ook kijk naar de doos zoute crackers: kijken mag, aankomen niet. Mijn trek, gescheiden door de transparante kunststofwand.
Tijd dus om de keuken te verlaten en naar beneden te gaan.
Een logee is doorgaans slordiger. Wie weet maak ik er vannacht wel een feestje van.
Het mag mij echt van het hart: hoe vaak heb ik het me afgevraagd, wanneer schat de mens mij op waarde? In plaats van: ‘Yakkes, sla hem dood!’ U bezingt mij wel in de Spaanse taal. Maar na al die jaren, zucht, had ik op meer erkenning gehoopt.
Ik moet het toegeven: mijn naaste insectenfamilie staat er ook niet erg rooskleurig op. Harde werkers, net zo goed. Bemesten, bestuiven, woelen en ruimen. Sterke broers, die mieren. Spichtig, oké, maar wel in staat tot het tillen van eenenzeventig keer hun eigen lichaamsgewicht.
Zucht, hoeveel begrafenissen woonde ik al niet bij? Een gewelddadige dood door gif. Een rake slag met een plank. ‘Dat ik het nog niet heb opgegeven is een wonder.’
Maar, de bekende maar zoals u weet: hoop doet leven. Er komt een dag dat er openlijk een hapje op tafel staat. Een: ‘Héy amigo, neem je gemak, snuffel rustig rond en misschien tot straks.’
Zucht.
Tot die tijd, tja, tot die tijd, dan moet het maar zo.
