Klem
Mijn driewielfiets is mijn stalen ros. Meer dan een paar wielen en wat stroom.
Vanochtend vatten mijn handen het stuur stevig vast.
Voeten op de platen met beugels. Die ze omsluiten en stevigheid geven.
Klaar voor een nieuwe dag.
Achter mij op de bagagedrager het ruwe hout van de maatbak.
Daar voel ik de stugge krullen van Sol. Een trouw maatje. Samen op pad.
Zijn zachte adem hijgt in mijn nek tussen mijn capuchon en paardenstaart.
De zon glooit op mijn huid. Het rode asfalt maakt een rrrr. De korrels knarsen tussen de banden en het gewicht.
Er passeren andere fietsers. Veelal glimlachend. We kijken naar elkaar.
Ik ruik het gras. Een geur die mij bekend is. En geuren van planten die ik niet ken.
We maken snelheid. In de achteruitkijkspiegel zie ik de zwarte neus van Sol die glanst als een zwart dropje.
Zijn krullen wapperen.
Rechts van mij is een bosschage: een saai stuk groen met stugge hagen.
Geplaatst om het grasveld en het rode fietspad af te bakenen.
Net als ik verder wil versnellen stop ik. Verbaasd door mijzelf.
Hier denk ik, hier mag ik zijn.
Ik schakel mijn denken verder uit en plaats mijn fiets aan de zijkant van het fietspad.
Stap af en maan Sol te blijven zitten en kijk of hij veilig is.
Dan wurm ik mij door de bosschage heen. Er haken takken in mijn jas.
De aarde ruikt muf. Mijn handen gaan over de zwarte bodem.
Dan zie ik waarvoor ik blijkbaar ben gestopt.
Er steekt een koud stuk metaal uit de grond. Ik trek er voorzichtig aan.
Dan nogmaals en ik zie een stuk staal met een kleine, zwarte gedaante. Het lijfje middenin ingedeukt.
Een mollenklem. Het arme dier leeft nog.
Hoe ga ik die bevrijden nu het nog kan?
Mijn hoofd kraakt. Even is het stil.
Gelukkig mijn handen, mijn handen, die doen het gewoon.
