Koud
Gerichte kijkers knetteren en gaan rond met een jagersblik.
De omgeving wordt één grote videogame.
Een klein, schichtig object beweegt naar rechts.
Ga ik een stap voorwaarts, onvoorspelbaar, of recht op mijn doel af?
De laatste dagen lag hij daar maar te liggen in het bed.
Zijn grijze haren in de war.
Hoe vaak ik ze ook kamde, het was alsof er elektriciteit doorheen ging.
In de rest van zijn lichaam was het licht gedoofd: een zwakke vlam die nog net zijn levensstroom op gang hield.
‘Het is goed zo,’ hoorde ik de stem zeggen, die toen nog krachtig was.
‘Ik heb zeker negen levens geleefd, en misschien kreeg ik nog wel een tiende. Dat verklappen ze boven niet.’
Mijn ogen gaan opnieuw rond, scherp als een jager.
Wat kan ik nog verzamelen in mijn gedachten aan beelden?
De bloesem die buiten zacht op en neer beweegt?
De groef naast zijn mond?
Mijn hersenen maken overuren. De adrenaline zit hoog.
Nu is mijn kans om nog iets te zeggen.
Valt er nog licht door de kieren van zijn gebarsten huid?
Ik val stil.
Ook in mijn gedachten.
Ik pak zijn handen: dat zal ik me herinneren, ‘zijn handen waren koud.’
